Historiek
De oprichting van de Muziekschool en de directieperiode van Jules Daems (1886-1920)
Zoals elders in het Vlaanderen van de 19e eeuw bestonden te Deinze diverse muziekgenootschappen, zangverenigingen, fanfares en maatschappijen van "Toonkunde".
Op 1 november 1886 stelde de 28-jarige Jules Daems aan het stadsbestuur voor om een muziekschool op te richten. Daems mocht, voorlopig, van wal steken. De erkenning door de gemeenteraad zou pas later volgen, toen bleek dat het initiatief succesrijk was.
Voor de inschrijvingen en de eerste lessen vond men een onderkomen in het Saverijspand, het gebouw waar zich thans de Toneelzolder van de Academie bevindt. Het grootste deel van de leerlingen behoorde vermoedelijk tot het burgermilieu. Omdat deze locatie niet voldeed nam de muziekschool vanaf het tweede schooljaar haar intrek in een nieuw gebouw op de binnenplaats van het stadhuis.
Het bestuur van de fanfares werd aanvankelijk ook belast met het beheer van de muziekschool, een symbiose die echter van korte duur was, en dat om politieke redenen.
De muziekschool kende een succesrijke start. In een stadje van nog geen 4.500 inwoners telde men na één jaar meer dan 100 jongens die de lessen volgden. In 1888 besliste de gemeenteraad dat er kon gestart worden met meisjes, op voorwaarde dat beide seksen zorgvuldig gescheiden werden. Er werden 2 aparte ingangen voorzien. Er waren 3 solfègeklassen, een gemengde koorzangklas en een vioolklas.
Als we de vergelijking maken met de andere muziekscholen van de provincie in hetzelfde jaar, sloeg Deinze zeker geen slecht figuur. Enkel Sint-Niklaas met 190, Aalst met 171 en Dendermonde met 121 leerlingen haalden een hoger aantal leerlingen dan de 103 van Deinze. Daarna volgden Oudenaarde met 98, Ledeberg met 93, Lebbeke met 82, Lokeren met 78, Denderleeuw met 76, Geraardsbergen met 70, Ronse met 68, Wetteren met 59, Kruishoutem met 57, Zottegem met 51, Eeklo met 49 en Zomergem met 44 leerlingen.
Na een inspectiebezoek in 1889 werd op basis van het verslag van inspecteur K. Miry de muziekschool van Deinze erkend door de provincie en werd haar een "hulpgeld" verleend van 200 frank.
Voor het schooljaar 1889-1890 voorzag de directeur vijf klassen notenleer (drie voor jongens en twee voor meisjes) plus een "bestendige" klas voor volwassenen.
Het jaar 1890 was voor de muziekschool van Deinze een belangrijk jaar, en dat niet alleen door de benoeming van Léon Nachtergaele tot hulpleraar notenleer.
Op 14 mei 1890 kwam de nieuwe inspecteur, Edgar Tinel, op bezoek. Tinel drukte zijn "grote voldoening" uit na inspectie van de verschillende klassen.
Een paar weken voordien was de ministeriële beslissing genomen om de Deinse muziekschool te erkennen. Interessant aan deze erkenning was dat er ook een subsidie aan verbonden was. Naast de eerder vermelde provinciale tegemoetkoming kreeg de muziekschool nu dus ook een staatstussenkomst van 200 frank. Ondersteund door de staatserkenning werd ook druk gewerkt aan het oprichten van een pianoklas.
Hoe waardevol de inbreng van de leraars ook was, het zwaartepunt in de uitbouw van de muziekschool lag ongetwijfeld bij de directeur, Jules Daems. Om de kwaliteit in zijn school te stimuleren, had Daems van bij de aanvang "openbare uitvoeringen" georganiseerd. De eerste van deze soort vond plaats op 15 september 1887. In de eerste openbare concerten kwam vooral de gemengde koorzangklas, begeleid door strijkers en piano, aan bod terwijl, naarmate de viool- en pianoklassen werden uitgebouwd, er ook instrumentale solisten optraden.
De stedelijke muziekschool had in de eerste vijf jaar van haar bestaan de vorm aangenomen, die ze gedurende meer dan een halve eeuw zou bewaren. De kwaliteit van het onderwijs werd door directeur Daems en zijn twee leraars systematisch verbeterd en de opeenvolgende inspecties wezen op een meer dan behoorlijk peil.
Inspecteur Tinel bleef de muziekschool van Deinze jaar na jaar een modelschool noemen.
In 1891 kwam de twee jaar jongere broer van Léon Nachtergaele, Jules in dienst als vioolleraar. Na zijn opleiding te Deinze ging Jules Nachtergaele zich verder bekwamen aan het Conservatorium te Gent waar hij een eerste prijs met onderscheiding behaalde voor notenleer, een tweede prijs met bijzondere vermelding voor viool en een bijzondere vermelding voor altviool.
Tot 1920 zou de muziekschool van Deinze kunnen blijven rekenen op het driemanschap van Daems en de gebroeders Nachtergaele.
Tot 1899 bleef het aantal leerlingen schommelen tussen 80 en 100. Het aantal inschrijvingen van jongens lag duidelijk hoger dan dat van de meisjes. In 1900 steeg het aantal leerlingen boven de 100 naar 133 in 1907, en naar de piek van 171 in 1908. In de volgende vier jaren zakte de curve geleidelijk tot ongeveer 120, een aantal dat in de rest van de Daems-periode ongeveer behouden bleef.
De diverse cursussen werden vrij snel uitgebouwd, in een vorm die ze bijna onveranderd bewaarden tot Wereldoorlog II. In 1904 startte Jules Daems een "kunstklas" die niet alleen openstond voor gevorderde leerlingen uit de viool- of klavierklassen, maar ook voor niet-instrumentisten.
Paul Gilson, opvolger van Tinel, bezocht de muziekschool voor het eerst begin juni 1909. Hij schreef in zijn inspectieverslag dat te veel leerlingen uit de instrumentenklassen het zich al te gemakkelijk maakten inzake de notenleer. Wegens de ziekte van Daems zou Léon Nachtergaele vanaf 1908 de hogere en middelbare leergang notenleer geven, maar pas in 1910 in die functie benoemd worden.
Ziekte deed Daems in 1916 ertoe besluiten vervroegd met pensioen te gaan als provinciaal ambtenaar. Dit betekende echter niet dat hij op het vlak van initiatieven helemaal uitgeblust was. In de muziekschool bleef hij in elk geval op post tot eind 1920.
Nadat de Bestuurscommissie op 23 augustus 1895 het Reglement van inwendige orde had opgesteld, werd het goedgekeurd door de gemeenteraad op 9 november 1895.
Afwijkend van de vroegere bepalingen werd de aanvangsleeftijd van de leerlingen van 7 op 8 jaar gebracht.
De "openbare prijskampen" vormden een jaarlijks terugkerend hoogtepunt in het leven van de muziekschool. Dan werd niet alleen het individuele talent van de leerlingen beoordeeld, maar onvermijdelijk werd ook de school in haar geheel geëvalueerd. Daems ijverde om deze "prijskampen" de nodige luister bij te zetten door het organiseren van een concert waaraan de beste leerlingen meewerkten. Hij trok externe muziekleraars aan als juryleden, meestal uit het Gentse, terwijl de secretaris van de jury een vooraanstaand Deinzenaar was en in de meeste gevallen één van zijn oud-leerlingen.
Op het zilveren jubelfeest van 11 februari 1912 waren er niet minder dan 900 aanwezigen om de "Jubelcantate" te aanhoren die door Daems voor deze gelegenheid gecomponeerd werd. Voor een stad met slechts vijfduizend inwoners, was dit ongetwijfeld een succes qua publieke belangstelling.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 4 augustus 1914 had de muziekschool pas haar jaarlijkse "prijskamp" achter de rug. De muziekschool ging dicht en heropende op 3 mei 1915 haar deuren, en met succes: er waren niet minder dan 117 leerlingen in de cursus notenleer, waarvan er 28 ook in de klavier- en 13 in de vioolklas zaten.
De laatste jaren van het directeurschap van Jules Daems verliepen niet zonder moeilijkheden, onder meer wegens gezondheidsproblemen en omdat hij zich zelfs na zijn pensioen nog actief wou blijven inmengen in het beleid van de muziekschool.
De gebroeders Nachtergaele en de bekroning tot muziekschool van de tweede graad (1920-1941)
Léon Nachtergaele werd op 24 januari 1920 officieel benoemd tot directeur van de muziekschool.
Léon Nachtergaele was moeilijk weg te denken uit het culturele leven te Deinze in de eerste helft van deze eeuw. Toen bijvoorbeeld eind 1928 te Deinze de Kunst- en Oudheidkundige Kring opgericht werd, was hij één van de eerste twintig deelgenoten. Bij het organiseren van muzikale festiviteiten was zijn betrokkenheid als plaatselijk leraar, later als directeur van de muziekschool, uiteraard bijna vanzelfsprekend.
Jules Nachtergaele was op heel wat terreinen muzikaal actief. Naast viool en notenleer in de muziekschool gaf hij, behalve privémuziekonderricht, ook les in het Sint-Jozefscollege te Tielt en in opvolging van zijn broer Léon ook in het Sint-Hendrikscollege te Deinze, wat hij volhield tot zijn tachtig jaar. Hij was ook pianostemmer bij uitstek voor de Deinse families.
In de periode van 1920 tot 1941 waren er in de muziekschool te Deinze slechts twee leraars: Léon Nachtergaele als directeur-leraar en zijn broer Jules Nachtergaele.
Het leerlingenaantal bleef vrij stabiel en schommelde tussen de 120 en 140 leerlingen, ongeveer gelijk verdeeld tussen jongens en meisjes. Voorzover bekend werden er in die periode geen nieuwe cursussen ingericht.
In het schooljaar 1919-1920 werden er in totaal twintig uren les gegeven. Léon Nachtergaele stond in voor notenleer en piano. Jules Nachtergaele gaf notenleer en viool. De lessen werden gegeven van 18.30 u. tot 20.30 u.
Een hoogtepunt van het directeurstijdperk Nachtergaele was ongetwijfeld de viering van een halve eeuw muziekschool.
In 1941 nam Léon Nachtergaele ontslag na een loopbaan van 52 jaar aan de muziekschool.
Het directietijdperk van de gebroeders Van Styvoort (1941-1961)
Wanneer Léon Nachtergaele eind 1941 als directeur van de muziekschool opgevolgd werd door Carl Van Styvoort, trad een nieuwe muzikale dynastie aan.
Aan het Conservatorium van Brussel behaalde Carl Van Styvoort de eerste prijs notenleer. Aan het Gentse Conservatorium een eerste accesiet voor geschreven harmonie, een eerste prijs met onderscheiding voor kamermuziek en een eerste prijs met onderscheiding voor viool. Toen hij 20 jaar was, verbleef hij in de Verenigde Staten. Lang vóór Carl Van Styvoort in 1941 directeur-leraar werd van de muziekschool te Deinze was het gezin Van Styvoort plaatselijk betrokken bij diverse concerten.
Eerste uitdaging voor Carl Van Styvoort was het opwaarderen van de school tot een muziekschool van de tweede graad. Op 12 november 1941 werd een voorstel van uurrooster gestuurd naar inspecteur Hullebroeck met het oog op die promotie. In totaal voorzag men 33 lesuren per week, gespreid over notenleer, samenzang, viool, koperinstrumenten, piano, zang en saxofoon en klarinet. Voor de muziekschool van Deinze lag de verandering op het praktische vlak enkel in de organisatie van de cursussen blaasinstrumenten, individuele zang en cello.
Wegens gebrek aan voldoende lokalen kon men terecht in de klaslokalen van de gemeenteschool.
Het zag er niet naar uit dat de verhoging tot de tweede graad, en de daaruit volgende diversificatie van de cursussen meteen ook een stijging veroorzaakte van het aantal leerlingen. In 1943 telde men met 140 leerlingen amper twee leerlingen meer dan in 1939. In het volgende decennium schommelde het cijfer rond de 120. Proportioneel nam het aantal jongens, dat aanvankelijk kleiner was dan dat van de meisjes, toe en behaalde vanaf 1949 de bovenhand.
De promotie tot muziekschool van de tweede graad bracht grotere onkosten mee. De rekening van bijna 29.000 frank uit 1941 steeg in enkele jaren tot ruim 100.000 frank in 1949 en meer dan 150.000 frank in 1952. De organisatie van nieuwe cursussen, klarinet-saxofoon, kopers, zang en cello, en de aanwerving van gekwalificeerde leraars, was hier uiteraard niet vreemd aan. De grootste stijgingen werden echter veroorzaakt door opeenvolgende wedde-aanpassingen. Het pakket aan lonen bedroeg doorgaans 90% of meer van de totale rekeninglast.
In 1952 ging Carl Van Styvoort wegens gezondheidsredenen op 67-jarige leeftijd met pensioen.
Zijn jongere broer, Eduard Van Styvoort, die overigens sinds geruime tijd de rol van dienstdoende directeur op zich nam, volgde hem op, en hij bleef als dienstdoende directeur de school verder leiden tot aan zijn ontslag einde 1961.
In 1956 waren er voor het ambt van leraar notenleer, eerste jaar, niet minder dan zeven kandidaten, waarvan er twee een speciale vermelding kregen van de jury: Jef Nachtergaele uit Gent en Antoon Van Cauwenberghe uit Machelen-aan-de-Leie.
Paul Malfait trad in datzelfde jaar in dienst in de muziekschool van Deinze en was met zijn 16-jarige leeftijd de jongste leerkracht ooit.
Vermelden we ook nog dat vanaf het schooljaar 1953-1954 de eerste lerares haar intrede deed in de muziekschool van Deinze.
Het aantal leerlingen in deze periode bleef schommelen tussen 120 en 130, met een piek van 135 in 1956-1957 en een dieptepunt van 103 in 1953-1954 en 1959-1960.
Met 123 leerlingen stond Deinze in verhouding tot de vijftien muziekscholen van Oost-Vlaanderen op de veertiende plaats, net vóór Lede met 116 leerlingen, terwijl Ronse koploper was met 312 leerlingen.
Met het ontslag van directeur E. Van Styvoort werd een punt gezet achter driekwart eeuw muziekschool.
De directie van A. Van Cauwenberghe en de promotie tot Muziekacademie (1962-1993)
De volgende kwarteeuw werd een periode van turbulente expansie met nooit geziene kansen en mogelijkheden, en dit niet alleen te Deinze. De economische ontwikkeling van de "golden sixties", gekoppeld aan een actieve cultuurpolitiek die ook ruimere geldmiddelen ter beschikking kon stellen, waren de voedingsbodem waarop onder meer het muziekonderwijs welig kon tieren. Nieuwe scholen ontstonden, bestaande scholen gingen aanzwellen qua aantal leraars, cursussen en leerlingen, bijafdelingen en filialen werden opgericht, enzomeer.
De voorlopige benoeming van A. Van Cauwenberghe gebeurde in 1962, de definitieve benoeming volgt in 1966.
Het geduldige componeerwerk beantwoordde niet aan het bruisende temperament van A. Van Cauwenberghe, die zich vrij vlug een plaats verwierf in de lokale muziekbeoefening. Zeven jaar lang was hij dirigent van muziekverenigingen te Machelen, Zulte en Nevele, waarmee hij diverse onderscheidingen behaalde. Hij speelde eveneens enkele jaren tuba in de Katholieke Fanfare Sint-Cecilia te Deinze. In 1953 stond hij samen met Luc Naessens, gewezen koster te Grammene, aan de wieg van het koor "Cantabile", een initiatief van Deinse studenten.
Bij de vacantverklaring was er sprake van een prestatie van anderhalf uur per week, zoals bij E. Van Styvoort maar uiteindelijk beslisten het stadsbestuur en de gemeenteraad aan A. Van Cauwenberghe, in zijn functie van directeur, een wekelijkse prestatie toe te kennen van twaalf uur.
Toen A. Van Cauwenberghe de directie in 1962 overnam telde de muziekschool 130 leerlingen, een toestand die aan weinig schommelingen onderhevig was tot 1965. Van dan af was de stijgingscurve ronduit spectaculair. Ze klom tot 689 leerlingen in 1973, wat een toename betekende van 530%, terwijl het lerarenkorps meer dan verdubbelde van 10 in 1965 tot 23 in 1973.
Eén van de redenen lag ongetwijfeld in de snelle uitbreiding van het aantal cursussen. Sinds 1950 bestond het aanbod uit: notenleer, viool, piano, zang, koper, hout en cello. Hier werden aan toegevoegd: gitaar (1963), fluit (1964), dictie en voordracht (1967), samenspel (1968), muziekgeschiedenis (1968), slagwerk (1969), terwijl het samenspel in 1972 afzonderlijk voor strijkers en blazers georganiseerd werd.
Bracht dit groter assortiment onvermijdelijk meer gegadigden naar de muziekschool, dan was de pijlsnelle stijging van het aantal leerlingen toch ook te wijten aan het inrichten van diverse filialen in de nabij gelegen gemeenten.
Sinds het midden van de jaren zestig breidde de muziekschool zich uit in de vorm van filialen. De oudste en standvastigste dochter was in dit geval Kruishoutem, waar de Deinse muziekschool reeds vier decennia een bloeiend filiaal heeft. In 1970 telde het filiaal Kruishoutem 67 leerlingen. Dat aantal groeide aan tot 96 in 1973. Het cijfer bleef schommelen tussen de 90 en 100 leerlingen, met 105 in 1976 en 82 in 1982 als uitschieters. Sindsdien schommelt het aantal leerlingen tussen 110 en 120.
In 1968 was het de beurt aan Astene, Machelen en Vinkt om als buurgemeenten met een filiaal van de Deinse muziekschool te starten.
In 1969 ging te Lotenhulle een cursus notenleer van start met 45 leerlingen in het beginjaar en een piek in 1971 met 58. Dit filiaal werd gesloten in 1976, in het vooruitzicht van de fusie van Lotenhulle met Aalter.
Te Zulte bestond sinds 1965 een kleine, niet-gesubsidieerde, gemeentelijke muziekschool, met een twintigtal leerlingen, die in 1971 geofficialiseerd werd tot een filiaal van de Deinse muziekschool. In de startjaren van het filiaal Zulte leek de curve van het aantal leerlingen op een hanenkam, met gemiddeld ongeveer 100 leerlingen. Sinds 1981 is het echter de meest bloeiende van de twee nog bestaande filialen, dat thans ruim 150 leerlingen telt.
Halfweg 1977 wou ten slotte ook Sint-Martens-Latem een filiaal van de Deinse muziekschool oprichten. Sinds 1972 werd er door vrijwilligers notenleer gegeven aan een negentigtal leerlingen. De bestuurscommissie te Deinze was positief ingesteld: "Het zou de culturele samenwerking met Latem bevorderen". Een plotse uitbreidingsstop stond dit echter, tot voor kort, in de weg.
Met de gemeente Nazareth werden, voorzover ons bekend, geen contacten i.v.m. een filiaal gelegd. Wat echter in dit verband toch mag vermeld worden is dat sinds het begin van de jaren tachtig een buspendeldienst georganiseerd werd van de harmonie van Nazareth naar de Deinse muziekschool.
De cijfers van de staatstoelage gingen vrij snel de hoogte in. De 43.000 frank van 1960 leek een peulschil tegenover de bijna 121.000 frank van 1964 en de 302.000 frank van 1966. In 1970 rekende men echter op bijna anderhalf miljoen, in 1972 op bijna drie miljoen en het jaar later op 3.600.000 frank.
De muziekschool barstte uit al haar voegen door een explosieve aangroei van leerlingen, cursussen en leerkrachten.
In 1972 stichtte directeur Van Cauwenberghe een afdeling "Jeugd en Muziek" in Deinze, een initiatief dat bezield en gevoed werd en wordt vanuit de muziekacademie. Het aantal leden van Jeugd en Muziek - Deinze bereikte een hoogtepunt in 1979-1980 met 610 leden. In de jaren tachtig schommelde het cijfer rond de vijfhonderd om de laatste jaren, en vooral sinds het invoeren van een inschrijvingsgeld in de academie, te dalen tot om en bij de 130 leden.
De ultieme droom van directeur Van Cauwenberghe was deze bloeiende muziekschool ook kwalitatief op te werken en te bekronen met de status van muziekacademie.
Wanneer men te Deinze deze promotie nastreefde was dat niet alleen een hooggestemde ambitie, die standing en prestige kon afstralen, maar tevens een nuchtere berekeningspolitiek. Waar thans diverse cursussen niet gesubsidieerd werden, zou men als academie wel kunnen rekenen op werkings- en uitrustingstoelagen. De staatsgelden zouden niet meer, zoals voorheen, postfactum worden uitgekeerd, maar maandelijks gestort worden. Een betere honorering zou ten slotte het probleem om kwaliteitsvolle leerkrachten aan te trekken vanzelf helpen oplossen.
In mei 1970 werd een officiële aanvraag tot promotie naar de bevoegde minister gestuurd. In tegenstelling tot de aanbevelingen van inspecteur Louel legde het stadsbestuur in haar argumentatie vooral de klemtoon op kwantitatieve gegevens. De waaier van cursussen was uitgebreid met gitaar (1963-1964), dictie en voordracht (1967-1968), samenspel en muziekgeschiedenis (1968-1969). Het aantal leerlingen was verdrievoudigd tot ongeveer 430 leerlingen.
In het inspectieverslag van Jean Louel lezen we volgende conclusie: "Om te besluiten moet ik bekennen dat het onderwijs van de Stedelijke Muziekschool te Deinze nog niet op het peil staat van een Muziekacademie van eerste categorie, doch gelet op het dynamisme van de directeur en de realisaties en inspanningen van het stadsbestuur, ga ik akkoord om de school te promoveren tot Muziekacademie van eerste categorie."
Op 23 april 1974 ondertekende J. Chabert, Minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden, een kort briefje gericht aan burgemeester E. Van de Wiele. Eindelijk was het zover: "Het is mij een genoegen U te kunnen mededelen dat ik beslist heb de stedelijke muziekschool van Deinze met ingang van 1 september 1973 te bevorderen tot inrichting voor muziekonderwijs van eerste categorie (muziekacademie)."
Dit was de langverwachte bekroning van jaren volgehouden inspanningen.
Op het einde van 1974 was de Muziekacademie in feeststemming. Op zaterdag 7 december 1974 ging in de feestzaal van het stadhuis een concert door "U aangeboden door de leraars naar aanleiding van de bevordering tot Muziekacademie (eerste reeks)". Niet minder dan veertien verschillende leerkrachten verleenden hun medewerking aan dit feestelijk dankconcert.
Ook in de volgende jaren werd er hard gewerkt om het aanbod van cursussen verder te verruimen: harmonie en toneel, kamermuziek voor strijkers en blazers in 1974; hobo en orgel in 1975. Fluit werd vanaf 1984 opgedeeld in blokfluit en dwarsfluit en in 1985 werd nog een cursus samenzang georganiseerd. De zeven cursussen die bestonden in 1962 waren op de vooravond van de promotie in 1973 verruimd tot vijftien. Sindsdien groeide de waaier van het aanbod verder uit tot 22 in 1986.
Ook in de filialen werd het pakket aangevuld: naast notenleer, dictie, voordracht, hout, koper en piano in beide filialen, kreeg Kruishoutem er in 1982 gitaar bij en in 1984 dwarsfluit. Deze twee cursussen werden in Zulte in 1985 ingevoerd.
Het aantal leerkrachten groeide tussen 1974 en 1986 aan van 23 tot 40.
Na de forse stijging van het aantal leerlingen tot 1973, kende men gedurende enkele jaren een lichte stagnatie variërend tussen 650 tot 700 leerlingen, mede door het wegvallen van de filialen te Vinkt, Lotenhulle en Machelen. Vanaf 1980 ging de curve opnieuw de hoogte in tot 892 leerlingen in 1985-1986. Opmerkelijk is wel dat de muziekacademie sinds 1981 zowat een kwart meer meisjes dan jongens telde.
De explosieve groei van de muziekacademie kon het duidelijkst worden afgelezen uit de toename van het aantal gepresteerde lesuren. In 1965 werden er 74 lesuren gegeven, 155 uren in 1970, 270 uren in 1975, 307 uren in 1980, 340 uren in 1985, 358 uren in 1986. Anders uitgedrukt gaf dit tegenover 1965 in 1970 een aangroei van 109%, 264 % in 1975, 315% in 1980, 360% in 1985 en 384% in 1986. Ter vergelijking: het urenpakket bedroeg in 1999-2000 ruim 569 uren !!
Bij deze cijfers moeten volledigheidshalve een aantal elementen vermeld worden, die een nog grotere en snellere expansie hebben afgeremd. Gedurende jaren zat men immers geplaagd met een chronisch tekort aan gekwalificeerd personeel, een situatie die nog werd aangescherpt door de cumulatiebeperking. Daarnaast werden de bestaande prestaties sinds 1 januari 1982 om budgettaire redenen geblokkeerd. Ten slotte heeft men te Deinze, om al te lange wachtlijsten te vermijden, de lesduur van een half uur op twintig minuten gebracht voor de leerlingen van de twee eerste jaren van de instrumentenklassen.
In 1978 startten een aantal muziekliefhebbers in Deinze een "Stedelijk Orkest" met symfonische bezetting. Hoewel dit initiatief als zodanig losstond van de muziekacademie, waren de onderlinge bindingen bijzonder intens. Het orkest verzorgde tal van succesvolle concerten, maar stierf in 1985 een geruisloze dood.
Intussen werden, in het kader van de muziekacademie zelf, de klassen samenspel geactiveerd.
Het harmonie-orkest (blaasinstrumenten) werd opgericht in 1980. Het stond onder de leiding van Jan Desmet en telde circa zestig leerlingen. Met een strijkorkest werd gestart in 1982, onder de leiding van Flora Van Leeuwen. Zij leidt nog steeds het samenspel strijkers. In 1984 werd van wal gestoken met een klas samenspel piano door Wim Walgraeve.
Voorzitter van de bestuurscommissie Frank Van Doorne werd in 1984 wegens gezondheidsredenen opgevolgd door Frans Vanlancker, eredirecteur van de basisschool van het Sint-Hendrikscollege te Deinze, die met veel bezieling de goede werking van de academie op de voet volgt en die met zijn rijke ervaring heel constructief de huidige directeur adviseert.
Naast de gebruikelijke procedures inzake benoemingen van het personeel werd en wordt de Bestuurscommissie vooral geplaagd door tal van materiële problemen. De behuizing en de accommodatie waren overigens een oud zeer. Tot 1964 was de muziekschool gehuisvest in een paar oude zolderkamers van het oude stadhuis, dezelfde waar Jules Daems gestart was. Toen A. Van Cauwenberghe in 1962 de directie op zich nam, werd daar, in vrij benepen omstandigheden, les gegeven door acht leerkrachten aan 133 leerlingen. Wegens verbouwingswerken aan het stadhuis werd een gedeelte van de muziekschool in 1964 verhuisd naar de lokalen van de stedelijke lagere school aan de Kalkhofstraat. Men kon er drie ongemeubelde klasjes innemen, die niet meer gebruikt werden.
Op veel begrip kon men niet rekenen, vermits de schooldirectie de nieuwelingen eerder als ongewenste indringers beschouwde. Wel werd een oorlogsbunker op de speelplaats gesloopt om er een geprefabriceerd paviljoen neer te zetten waarin "als een voorlopige noodoplossing" twee klassen voorzien werden en een kleine vensterloze ruimte waar het gemeenschappelijk bureau van directeur en secretaris werd ingericht. Tot op vandaag wordt dit paviljoen nog steeds gebruikt!!
In de tweede helft van de jaren zestig lagen plannen ter beschikking voor de bouw van een Cultureel Centrum, waarin zowel de Academie voor Schone Kunsten als de Muziekschool een aangepaste accommodatie zouden krijgen. Verder dan het voorbereidende stadium raakte men echter niet.
Het woonhuis, vooraan in de Kalkhofstraat, traditioneel de ambtswoning van de hoofdonderwijzer, werd vanaf 1973 gedeeld door de directie van de Rijkslagere school op het gelijkvloers en de directie en het secretariaat van de Muziekschool op de bovenverdieping. De klassen werden tijdens de schooluren van het dagonderwijs bemand door de leerlingen van de Rijksbasisschool. Op de vrije dagen en in de avonduren kreeg de muziekschool in deze lokalen de ruimte om zich te ontplooien.
Het gebouwencomplex aan de Kalkhofstraat volstond niet om de expansie van de muziekacademie op te vangen, hoewel gedurende alle beschikbare uren elke vierkante meter ten volle benut werd. De toneelafdeling werd reeds enkele jaren voordien ondergebracht in de bovenverdieping van het oud-museum. Gedurende enkele jaren werden ook lessen notenleer gegeven in lokalen van het Sint-Hendrikscollege. Voor de lessen samenspel werd een oplossing gevonden in de verruimde hoekklas, toen de Academie voor Schone Kunsten verplicht werd haar deel af te staan, na de bouw van een nieuwe vleugel.
Tot vóór een tiental jaren vonden de prijsuitreikingen en concerten normaal plaats in de grote zaal van het stadhuis. Na de tweede fusie kon dat niet meer. Men diende uit te wijken naar privélokalen, zoals de zaal Palace op de Markt of zalen van één of andere onderwijsinstelling. De stadslocaties zoals Palaestra en Brielpoort waren om diverse redenen minder interessant, behalve de "Bietenoogst"-zaal in het Museum van Deinze en Leiestreek, waarin akoestiek en artistiek kader een ideale combinatie vormen.
Begin januari 1983 kreeg het stadsbestuur van inspecteur Van den Borre een felicitatiebrief toegestuurd: "In de eerste plaats om mijn waardering uit te drukken voor wat gepresteerd wordt in deze instelling. Onder het dynamisch en stimulerend beleid van de heer A. Van Cauwenberghe, directeur, en met de inspanning van een zeer degelijk lerarenkorps heeft de Stedelijke Muziekacademie van Deinze reeds een hoog niveau bereikt. De medewerking en de steun van het stadsbestuur zal hier zeker niet vreemd aan zijn.
Zeer positief is het enorme belang dat gehecht wordt aan het groepsmusiceren. Zo was ik getuige van het samenspel van een prachtig strijkersensemble en dito harmonie-orkest".
Deze lovende bewoordingen werden echter afgerond met "in cauda venenum": "Daarom is het jammer dat de academie bijna de minst goede huisvesting heeft van gans de Provincie".
In 1988 verliet de Rijksbasisschool de gebouwen in de Kalkhofstraat zodat de Muziekacademie eindelijk over een eigen infrastructuur kon beschikken.
Het begin van de jaren '90 wordt gekenmerkt door 2 ingrijpende "wijzigingen". Ten eerste slaagde directeur Van Cauwenberghe er niet alleen in om een nieuwbouwproject te realiseren (centraal een balletzaal annex 8 kleine klaslokaaltjes), maar ook de bestaande gebouwen - intussen weer eigendom van het stadsbestuur - werden op schitterende wijze gerenoveerd. Met het realiseren van de balletzaal werd een cursus Dans (klassiek ballet) opgericht, integraal gesubsidieerd door de stad Deinze. De naam van de academie werd daarom gewijzigd in "Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans Deinze".
Ten tweede en bijzonder ingrijpend was het feit dat in gans Vlaanderen de zogenaamde "Nieuwe Structuur" wordt geïmplementeerd. Deze structuur is geënt op het dagonderwijs en omvat een duidelijk aantal leerjaren (lagere, middelbare en hogere graad), parallel met en complementair aan het dagonderwijs; ze zorgt voor homogenere leertrajecten: voortaan volgde elke leerling een vakkenpakket in plaats van losstaande cursussen.
Omdat deze Nieuwe Structuur stapsgewijs werd geïmplementeerd, zou het ongeveer tien jaar duren vooraleer het vroegere systeem volledig uitgedoofd zou zijn. Dat de leerlingen voortaan meer lestijd in de academie moesten doorbrengen, droeg ertoe bij dat reeds halfweg de jaren '90 de academie weer met een acuut gebouwentekort kampte.
Na een rijkgevulde carrière van 30 jaar directeurschap ging Antoon Van Cauwenberghe op 1 december 1993 met pensioen. Hij werd passend gevierd tijdens een groots huldeconcert in een afgeladen volle Brielpoort.
De directie van Geert Dhondt (1994- )
Op 3 februari 1994 wordt door de gemeenteraad van Deinze de 27-jarige Geert Dhondt benoemd tot directeur.
Hij is afkomstig uit het nabijgelegen Nazareth en deed al zijn secundaire muziekstudies aan de Academie van Deinze. Met zijn aanstelling had Deinze opnieuw een heel jonge directeur, iets wat in de lijn der traditie lag.
In 1995 wordt de academie van Deinze door de minister geselecteerd om, als één van de 5 academies in Vlaanderen, een cursus Literaire Creatie op te starten, in een experimentele fase.
De volgende jaren worden gekenmerkt door verdere expansie: er wordt gestart met verschillende nieuwe cursussen: accordeon (1995), beiaard (1998), klavecimbel (2000), harp (2002) en fagot (2003). Vanaf het schooljaar 1999 kunnen 6- en 7-jarigen in de academie terecht voor initiatielessen viool en piano en groepsinitiatie, dat zijn cursussen gefinancierd door het stadsbestuur.
Na diverse mislukte pogingen sinds de jaren ’70, slaagt directeur Geert Dhondt erin om de ministeriële erkenning te verkrijgen voor de oprichting van filialen Muziek en Woord in Sint-Martens-Latem (2000) en in Nazareth (2002).
Intussen is het leerlingenaantal gestegen van iets meer dan 1.100 in 1994 tot ongeveer 1.600 in 2003.
Dit én de volledige uitwerking van de Nieuwe Structuur leiden tot een nijpend gebouwentekort. Als tijdelijke noodoplossing wordt een pand betrokken aan de Leiedam. Uiteindelijk zal deze noodoplossing langer duren dan aanvankelijk bedoeld. Met het oog op gebouwenuitbreiding van zowel SASK als Muziekacademie, koopt het stadsbestuur in 2002, na jaren van onderhandeling met de eigenaar, de panden palend aan de academie, met de bedoeling deze te verbouwen.
Bron: Jonckheere, W. (1987). Honderd jaar Stedelijk Muziekonderwijs te Deinze. Deinze: Stadsbestuur Deinze.