poezie van de stadsdichter

CANTECLAER, een refrein in rederijkerstraditie

Het gebeurde rond de sinksendagen, met zijn bloeiende heggen en hagen
Dat velen in Deinze aan de Leie van puur heimwee begonnen te peinzen
En te zoeken naar een manier om heel de stad te laten kraaien van plezier
als een haan met zo veel hennen dat hij als een politicus moet wennen
aan het vele en constante geschipper, het probleem van iedere wipper,
die voor de keuze staat, neem ik Leen, of Stien misschien, of beter Kaat?
In het museum vonden ze toen Canteclaer, net op tijd voor ’n jublieum,
50 jaar, een echte goudhaan dus, met veel goesting in wat ander graan
nu hij hier sinds 2007 al lange jaren, niets anders deed dan stof vergaren.
Nu zal de stad bewijzen, dat we de stadskas niet extra moeten spijzen
Want wat men er ook van moge zeggen, een kale kip kan best nog leggen,
Voorwaar, voor heel het land wordt dit jaar Deinze de stad van Canteclaer.

Genoeg gekakeld en gekraaid, sindsdien werd niet rond de pot gedraaid,
het Canteclaercomité sloeg, zeer eendrachtig, alle handen aan de ploeg,
tweeduizend en twaalf werd het jaar van de jubelstoet van Canteclaer,
het reuzengezelschap is zeer bont, van klokhen Rode en Krieltje Kakelkont,
dat lieve kuiken, de hanen Kraaiert, Cantaert, met hun jonge hete buiken,
tot Pinte en Soete, en ook de ongelukkige Coppe, die hard moest boeten
want Reinaert de vos, zo leep als hij grijs is, hielp haar vakkundig om zeep,
toen hij luid de passie preekte en zeer valselijk om medelijden smeekte,
als politiekers die hun kazak draaien, want hun haan moet koning kraaien.
Nu zal de stad bewijzen, dat we de stadskas niet extra moeten spijzen
Want wat men er ook van moge zeggen, een kale kip kan best nog leggen,
Voorwaar, voor heel het land wordt dit jaar Deinze de stad van Canteclaer.

Dus in mei is Deinze de stad van hanen en kippen, niemand kan veinzen
Dat hij van prijzen niks weet , want hier zit altijd de commissie gereed
Om over de kip en het ei te kakelen en voor heel Europa te orakelen
wat het voortaan alle rangen en standen kost, om de gebraden haan
uit te hangen, al is het ei soms wijzer dan de kip, om andere belangen.
Op een mooie zondag in mei trekt dus de stoet door de straten en mag
Onze stad van reuzen bruisen, om de geboorte van reus Lucien Buysse
Te vieren, een echte haan op de fiets, hij beklom vlugger dan jonge stieren
Een koe aan een zeel, de col d’Aspin vol sneeuw en zag Parijs in het geel.
Dus nu zal de stad bewijzen, dat we de stadskas niet extra moeten spijzen
Want wat men er ook van moge zeggen, een kale kip kan best nog leggen,
Voorwaar, voor heel het land wordt dit jaar Deinze de stad van Canteclaer.

Prince
Prins en Prinses Canteclaer,
Gedenk hem maar, hij is terecht een Deinse Reus, dat mag worden gezegd,
Dus liefst geen klachten, al zou men hier de kip met gouden eieren slachten,
Vandaag is het feest. Dus vier en onthou dit, het is niet de kip die het meest
Kakelt, die de béste eieren legt. De stadsdichter doet ‘n laatste geste en zegt:
poëzie is mijn biotoop en elke haan kraait ‘t mooist op zijn eigen mesthoop.
Want wat men er ook van moge zeggen, een kale kip kan best nog leggen,
Voorwaar, voor heel het land wordt dit jaar Deinze de stad van Canteclaer.

13 mei 2012, Martin Carrrette
Gedicht ter gelegenheid van 50 jaar Stoet van Canteclaer


De Renner
Wontergem, standbeeld Lucien Buysse

De renner is een beeldhouwer, als Michelangelo
op zoek naar de ultieme vorm in het dooraderde
beenharde materiaal van zijn lijf. Ook is de renner
een dichter, vergroeid met zijn pen of klavier

als met een frame. Zonder roadbook draait hij
vierkant over de hobbelige dwaalwegen, die jubel
beloven, op weg naar de zege, de roem, de steen,
als trofee. De finale lendenruk perst de laatste jus

uit de woorden, in taal cru en gespierd als zijn dijen.
Bebloemd en gebeiteld staat hij op de hoogste trap
van het ereschavot. Toch wint hij maar half, nooit

haalt hij het helemaal van de woorden, de stenen,
zichzelf. Er is altijd de andere helft. Dat eeuwige,
onverbiddelijke blok loodzwaar aan het been.

25 maart 2012, Martin Carrrette
Gedicht voor de zesde 'Stadsge z/d icht'-kaart



Toeschouwer
bloedprocessie Meigem 2 juli 06

tijd trekt door de straten, kruipt over
de kromme zwarte vingers van het dorp.
de toren van de kerk staat in de steigers,
steekt als een zere duim omhoog.
tijd trekt door de straten, strooit galmend
oude woorden uit dorpse oude monden.
jongeren bewijzen lippendienst, terwijl
hun luide heupen ritmisch tegenspreken.
tijd trekt door de straten, laat zich door
oude zware paarden dragen, als een last.
zij hebben geduldige ruggen. de zon legt
haar witte wade over de wereld. tijd staat
stil op de knekelvingers van een zomerdorp,
trekt al eeuwen door de straten, huiverende
getuigen van de kruistocht zonder einde.

Martin Carrette
Gedicht t.g.v. tentoonstelling Ecce Homo

stroom
Astene sas
 
dit is wat de oude filosofen zeggen,
dat alles stroomt en dat niets blijft,
het water en het licht, het leven
en het bloed. en dat alles drijft op
de olieloze kogellagers van de tijd.
en dat alles wat van de mensen is
een drager nodig heeft, vaandel
en virus, kruis en kroon, kind en kist,
zoals water het glas en de bedding,
zoals energie de pyloon en het net,
zoals liefde een lijf, de warmte ervan,
zoals een kind schouders, een schoot.
en dat alles gedragen, geperst door
het enge bekken, de sluis van de tijd,
de stroom die van zijn rijmwoord
droom de aorta en de draagbaar is.

26 januari 2012, Martin Carrrette
Gedicht voor de vijfde 'Stadsge z/d icht'-kaart


Boom in de kersttijd
Linde in Meigem

 
                      vaker dan 
              de boom sterft niets
       en niets leeft langer. verslingerd
   is hij nu aan glinstering en aan groen.
als sterren vallen uit zijn takken gezangen.
     zelfs de brooste twijgen kunnen niet
     zwijgen nu. ze breken prevelend uit
             in smeekbeden en gebeden 
                 over vrede, vrede. 
                  zijn stam maakt
                   zich klaar voor
                    de vlammen,
                     de warmte
                     en de stal.
                    dit is de tijd
                   van de boom
              en het eeuwige leven.

                   Martin Carrette
                   8 januari 2012
Gedicht voor de vierde 'Stadsge z/d icht'-kaart


stadskind
bij het afscheid van burgemeester Jacques De Ruyck

de stad waar men woont, woont als een parallel
lichaam in ons. men loopt door zijn straten en lanen,
parken en pleinen, zijn stegen, als het bloed door
onze aders en vaten, door vitale organen.

wie de stad verbouwt, verbouwt ook zichzelf.
en of men weggaat of blijft, de stad zal van de droom
die men droomt het skelet zijn, stad in de spiegel
en daarin de overvloei. men blijft de aarde,

het gras in de parken, het water tussen de oevers,
hij blijft de straten tussen de gevels, blijft de mensen
daarachter. en vooral, daarbinnen, de overvloed
van het hart. blijft voor altijd het kind.

22 december 2011, Martin Carrette

jazzy ritselaars

geen betere ritselaar dan de herfst,
die maar moeilijk kleur kan bekennen,

en zijn korte dagen in grijs camoufleert.
zijn warrige bondgenoot, de wind,

de ongeziene, sleurt aan de blekende
zon en schudt het laatste bladgoud uit

de schatkist van weerbarstige bomen.
hij beroert slaghout en vegers over ons

verslappend en slaperig vel. weer wordt
heimelijk een nieuwe winter geritseld.

Martin Carrette
Gedicht voor 'Hoekje van de stadsdichter', Code 9800 december 2011



Boeken, in Letters & Co

als goede vrienden keren ze me uitnodigend
de rug toe en wachten geduldig op mijn hand, verdragen
het ongeduld van mijn vingers.

ze laten mij in de waan dat ik tempo en diepgang bepaal,
en als goede vrienden gaan ze nooit echt weg,
hoe oud en stoffig ze ook worden.

ze blijven, voor de nood, dan overvallen hun letters me
als een tickertape parade van hoop, een douche
in de zomer, en troostvol, als koffie

28 oktober 2011, Martin Carrette
Bij de opening van boekhandel Letters & Co



conflict
spoorwegbrug Grammene

als een zilveren beugel in een gebit dwingt
de spoorwegbrug het land en de tijd in het gelid
met staalharde verre beloftes. ontspoord staan
de bomen, de gebouwen, liggen de weiden.

onder haar legt de rivier zijn afgesneden leven,
een smeekbede, offer van schoonheid, als wraak
op de zwaarte die boven hem wordt vervoerd
op dit kruispunt van traagte en haast.

maar wegzeker en licht evenaart de draaikever,
dat wentelende wondere waterding, de snelheid
der treinen. hij schrijft nog steeds wat hij schrijft.

een late trein ratelt over. even heerst de chaos,
klappertandt het landschap, huivert het water,
verhevigt de tijd. dan is alles weer rimpelloos.

11 september 2011 Martin Carrette
Gedicht voor de derde 'Stadsge z/d icht'-kaart


Sint-Poppoplein

de rivier kromt zich tot oorschelp aan de stad.
hij hoort het plein aan, dat uit vele monden
spreekt, schreeuwt, fluistert, huilt, lacht,
zwijgt, met kleurrijke stemmen,

over wat gisteren was, verpakte dagen, verpopte
tijd. als een schelp legt de rivier zijn trage
oor open aan een stad, zwanger
van verhalen over kinderen

en morgen, die er nazinderen, als geschenken
verwaaiend, door de beiaard verzilverd.
niets luistert nauwer dan water,

niets is verdraagzamer. het voert alles mee,
naar verten alle bochten voorbij, naar
het veilige land van oude heiligen.

Martin Carrette
Gedicht voor 'Hoekje van de stadsdichter', Code 9800 september 2011


hoorn van Afrika

stil zitten ze in hun gerafeld vel als in hun kleren,
en wie blaast de hoorn? wie blaast de hoorn?
te heet en te ver is de hoorn - oh magisch
woord van overvloed, oh zeer eetbaar
woord, oh mythologie oh geografie

hun bolronde kinderogen hongeren feller nog
dan hun magen, die alle eten ontwend zijn
wat, ja wat schaft de pot? schaft de pot?
leeg is de pot - oh scherm oh dagelijkse
kost oh van het veld naar de belt

geen povere president eist streng de tiende
penning - oh penningmeesters, waar zijn
de penningmeesters? oh scherpe dure
ruïnes oh festivals oh blinde roes oh
land met alleen maar scherp zand

24 juli 2011 Martin Carrette
Oproep tot steun voor noodhulp aan Hoorn van Afrika

metamorfose
zonsopgang bij Ooidonk

laatst stond ik bij een plein in een stad,
het lag leeg, op het zeer bleke licht na.
aan zijn randen stonden de geraamten
van de winterdode bomen, waarachter
met blinde ramen de verzegelde huizen.
huiver ruiste uit zijn plavuizen omhoog
tot een huid, een stolp boven de stad.
bij een bleek plein in een stad sloot ik
de ogen en droomde. open, onbewaakt
stond de stadspoort. in zijn tijdloze val
trok indringend licht een gouden spoor
van belofte. onwetende bomen vingen
een oeroud lied uit de wind: het daghet
in den oosten, het lichtet overal.

22 april 2011 Martin Carrette
Gedicht voor de tweede 'Stadsge z/d icht'-kaart


lente, nog maar eens

ze leren weer omfloerst te praten,
ze roddelen straks weer over de vogels
dat het een lieve lust is. ’s nachts mogen
ze weer fluisteren en overdag

heel stil staan in de te jonge zon.
ze leggen heupwiegend hun krakende
winterstemmen af, leren een buikdans,
bewegen nog weerbarstige stammen

als jongemeisjesbenen. straks gooien
ze alle zwoele geheimen van hun blaren
in het licht, in de waagschaal

van hoogzomer, de bomen. straks,
maar eerst de streling, het zuchten, de kus
van de wind. eerst nog het zogen.

Martin Carrette
Gedicht voor 'Hoekje van de stadsdichter', Code 9800 maart 2011


Dorp aan de Leie
Bachte-Maria-Leerne

het dorp groeit uit de wijde oksels
van de rivier als een rustige aanwas,
en ligt. ligt, zonder woorden

en herhaalt voor zichzelf zijn oude
seizoenen, hoe ze zich schurkten tegen
de oevers, als geduldige koeien van verf
tegen de bomen van toen. het is niet

de trage groet van het water, het is
zijn gouden hart dat hier klopt. veilig
slapen in zijn armen de gelukzaligen.

28 januari 2011 Martin Carrette
Gedicht voor de eerste 'Stadsge z/d icht'-kaart


nieuwjaar, egyptisch sprookje

het jaar hernieuwt zich, en de stad,
die in de kale plekken van kalenders,
van kasten, van stillevens, bloot gaat
op de muren van het sloophuis.

en op de voetpaden verwarde sporen
in een hard restant van sneeuw. wie hier
voorbijging, passant, de dag, het jaar, is
nog niet, niet helemaal voorbij.

het jaar, de dag, de stad, haken zich
vast, als namen in annalen. men kent
zijn lot, weet zijn gewicht, de zwaarte
van de nacht, de nacht.

hij, de dag, de stad, het jaar, alles
herijkt zich in het helderste melkwit
van de baanvaste maan. gewogen,
hart en struisvogelveer in balans.

licht. daar is het licht, daar is het licht,
kijk, het hangt spiegels aan de dagwand
van de jonge stad. het licht ontbloot,
ontbloot het mooiste land.

Martin Carrette
Gedicht voor 'Hoekje van de stadsdichter', Code 9800 januari 2011

SCHATKAMER
monument voor de levenden

met bezoek sprak moeder soms nog
over aimé of over maria, over zijn golvende
haren, over haar blauwe ogen. hoe ze dikwijls
hadden gelachen, dat ze samen met hun kinderen
twintig was, die vroege zomer, en dat ze
nog samen kersen hadden geplukt.

in haar woorden klonk iets waarin ik pas later
een vorm van liefde herkende, de onvervulde.
haar stem stokte dikwijls. ze werd twintig die zomer
en oud, voor altijd doodsbang om haar latere
zonen. ze verkankerde lang voor haar tijd.

haar mond werd een muur, een wonde,
later fluisterden haar lippen van steen zoetheid
en een vreselijk geheim in het oor van een vader,
die onthield en bleef leven, tot lang na haar tijd,
maar nooit meer wist hoe, nooit meer durfde,
keelkramp zijn taal. woede, vloek in de stilte.

hun beide monden een muur. als bloed,
als woorden over de lippen, druipt uit zijn littekens
de vrede. jong als de echo klinkt zij door in eeuwige
namen, die waar ook ter wereld altijd vertellen
waartoe de mens in staat is.

zij werd twintig die zomer en oud, ze werd
alle namen. ze versteende, die zomer, ze werd
eeuwig. een muur, een monument, schatkamer
van de pijn van een stad, van de wereld.
het vlees werd weer woord,
als in den beginne.

9-10 oktober 2010 Martin Carrette, stadsdichter
Gedicht bij het monument “Waartoe de mens in staat is”
Martelarenplein in Vinkt


Rampenplanning

de storm is uitgeraasd. het water is stil, als een scherm
in een berookte kamer, zijn haast en woede ingeruild voor de pixels
van een vage liefde waarmee het alles, daken, kruinen, dieren,
geduldig draagt. het water heeft alle zwijgen

verzameld, al de waardigheid van de blinde piëta‘s. de trage
richtingloze vogels. de drommen vliegen op de ogen, de monden
van kinderen. over hun koortsig vel trekt de dood
al golven als de rilwind over het water

en over het zeil van hijgende tenten. geen nachtelijk gebral stijgt
uit de opeengepakte weiden, niets wordt gesmoord in decibels en tonnen
afval. oefen geduld. als de te luide fun van de zomer

is uitgewoed en gouden lijven dragen weer kleren, doet
de winterwind de ogen tranen. straks, als engelen zingend zweven
boven witbevroren velden en een stenen kind dat al glimlacht.

22-23 augustus 2010 Martin Carrette, stadsdichter

DE BIETENOOGST Emile Claus
“lezen in de hand van een landschap”

I

mijn land is het land van de stilte

men heeft puzzels van je gemaakt en postkaarten en posters
met mistige neperotische landschappen als de vage foto’s van Hamilton.
je werd tijdverdrijf en onschuldig vermaak voor lange koude stille winteravonden
in een stil en koud land

mijn land is het land van de stilte
de vreedzame brede natuur

het was een stil land, het liet zich koudweg en gewillig vastleggen op doek.
maar één stopt de spade en staat half dromend te luisteren, als hoort hij de warme stem
in de verte, de stem van een vriend, die het harde labeur vertaalde in nog hardere woorden,
die echo na echo doorklinken tot nu, in zijn jongere helden en hun nog bozere tongen, die altijd opnieuw smekend schreeuwend vragen aan dat land, steek toch het vuur aan mijn gebeente
want ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde

II

hier liggen hun lijken als zaden in ’t zand
hoop op de oogst …

en onze handen hunkerden toen naar de aarde, ze hielden onze kortwoonsten aan de einder gesloten. langs de diepe akkers langs de laagwei schoof toen nog geen kano naar zee.

de handen waren verkleumd, grepen naar de grond en naar de vruchten der aarde
die onthoofd en ontworteld opgehoopt wachtten op de ultieme genade
als lijken op het slagveld van de grote oorlog, dat het land weldra zou worden.
hoe luid schettert al in de echo van hun kleuren de panische roep
trek me, red me, red me uit de Vlaamse klei

III

uit beelden en doeken en zangen,
uit al wat een kunstenaar schiep,
straalt gij als met tover omhangen


het was een koud en kaal en bijna kleurloos land
zijn licht was zo mager dat het pas licht werd op doek.
en ook hier gloeide al het warmere coloriet van een latere schilder

hij werd je kleinzoon, hij sneed zijn vader uit je en zichzelf soms. hij verjoeg de idyllische mist
uit het landschap. het land brak toen open zoals eindelijk de wolken, het had doorkijk,
werd eindelijk warm.

IV

zeg mij, wolken,
vloei open woordeloos, word water


het was een plat land toen, een vlak land, vlak lag het onder de effen wolken.
men keek niet omhoog toen, niet naar de wolken, tenzij om regen en storm te voorspellen,
men keek naar de aarde.

of was er toch al iets in de verte en dwaalt een blik al metend af naar de wolken
waagt hij misschien in een van zijn zonen de sprong in de ruimte?
maar het was vooral koud toen in dat oude land.

een vrouw staat centraal, blaast op haar vingers van ijs
als een negatief van Millet, een ontkenning van de keuze die vrouwen toen hadden,
het angelus bidden, baren of beulen. het was koud toen in dat platte land.

centraal staat een vrouw met een hoofddoek,
ze heeft het koud als het land, dat ook ons land is, ondanks zijn soms oorverdovende stilte,
alsof het de roep van zijn wolkenmeters niet hoort, zijn koortsmeters in de aars van zijn grond,
hun eeltige vingers op de pols van de tijd.

centraal staat een vrouw met een hoofddoek
ik zou haar een luid lied in dit landschap van woede willen zingen…

31 mei 2010 Martin Carrette, stadsdichter
Noot:
in dit gedicht werd gebruikt gemaakt van werk van of verwezen naar Vlaamse dichters, zangers, en beeldende kunstenaars, of iconen van de Vlaamse huiskamer, zoals: Willem Gijssels, “ ’t Zijn weiden als wiegende zeeën” – muziek Renaat Veremans, Cyriel Verschaeve, Hier liggen hun lijken…, Hugo Claus, De Moeder, Een vrouw, XIV, Paul Van Ostayen, Melopee, Raymond van het Groenewoud, Liefde voor muziek, Tom Lanoye, Roger Raveel, Jan Fabre , het Angelus van Millet, de fotograaf David Hamilton en Jacques Brel

hamlet en de nieuwe stad

facelift van een stad. het verleden wordt gelicht, in oude sporen,
zoals tranen achterlaten op een verweerd, bestoft gezicht. zoals
de as de boom in zich heeft, zo de stad zijn eerdere ik.

het eerste gehucht. vicieuze cirkel van de tijd, van papier naar steen
en terug. en terug. de vergeefsheid van de metselaar, de timmerman,
de stedenbouwer. “er is er één die sterker bouwt”.

Martin Carrette, stadsdichter

stad in de zomer

nu mag de stad even een eiland van wanorde worden,
mensen mogen nu slenteren, hun vingers vastgehaakt
in elkaar, als remmen op de dagen.

hun armen vergeten de haast en het zwaaien, hunkerend
naar andere lijven om bij te horen. paradox van de zomer,
een stad loopt leeg, een stad loopt vol.

lui ligt hij in de frisse omarming van zijn dubbele geliefde,
het water. dag na dag staan gevels en stoepen in bloei,
onder de zon, onder de maan.

in de dorpen, waar tuinen zuiders geurend in brand staan,
denkt men nog niet aan de oogst, ongegeneerd blozen
er appels, peren nemen hun tijd

om te ronden, als vrouwen voor spiegels, in twijfel tussen iets
en niets, als de stad lui in de zomer. ha! heerlijke zomerstad,
ruiker in het omliggende land.

kermis, een stoet van clichés, een fanfare van honger en dorst,
als een slingerlint tussen biertent en ballenkraam, kakofonie
van krakeel en gekakel, over de koers

en over het allerdringendste wereldprobleem, de kip of het ei,
met de monden vol friet. heerlijke stad in een zalige zomer! en oh!
de jonge duizelingwekkende liefdes

in foortuigen, waar de eerste kus mee de hete adem afsnijdt.
één avond bloeien knallend boven de stad ook de wolken,
kortstondig. ha, mooie stad in de zomer…

mei 2010, Martin Carrette, stadsdichter

Bij Gent-Wevelgem 28 maart 2010

Van dichters en renners

definitie

zoals een dichter een mens in ademnood is, zo is de koers
poëzie: ook hier draait het vooral om de knepen van het vak,
de ketting van klanken, die niet altijd gesmeerd loopt, het ritme,
de poëzie van de hapering. en alles draait vooral om de tijd, die
altijd te vlug gaat. een vluchtkoers, zegt men. het gapende gat,
de angst te verliezen. de zeurende zadelpijn van urenlang zitten.
de kramp. de raddraaierij van het veinzen, het beeld. alles draait
om geduld, de kunst van het wachten, op het goddelijke moment:

de explosie in inkt, de laatste streep, de witte zegening, de zege.

drijfveer

het is bijna zo puur als wiskunde, het ruikt naar het zweet van de poëzie,
er is veel uitval en opgave, er moeten kloven worden gedicht, het begint
en eindigt met grootspraak, met windstilte tussenin en kansberekening, hoe
feit a te rijmen met plan b, hoe in het juiste ritme te komen, hoe het vlugst
van punt x naar stad y te rijden, als het axioma van de rechtlijnigheid niet
van toepassing is. als wat telt niet is wat tussen haakjes staat, niet de uitkomst,
niet de lauwerkrans, niet het geld. niet het winnen, maar de bijna dierlijke leegte
post factum: het uitgehold zijn, de tristesse van het weten ’ik moet herbeginnen‘.

al komt het bloemenmeisje als antwoord misschien wel dicht in de buurt.

Martin Carrette, stadsdichter

Eerste stadsgedicht

kettinggedicht met binnenrijm

de aarde beefde hier niet. het is gemakkelijk dichter te zijn
waar puin geen puin is maar poen in een stad waar de huizen
stevig staan op het fundament van het grote gelijk. waar de aarde
nooit beeft is het gemakkelijk dichter te zijn, waar niet de aarde
maar alleen het woord voor opschudding zorgt. waar de aarde
niet beeft is het gemakkelijk dichter te zijn en in de taal te gaan
hakken en delven, uit de ruïne van zinnen het laatste woord
dat nog ademt te redden, o mirakel, in een stad waar de aarde
nooit beeft dichter te zijn en een woord te vinden, één woord,
met kracht 10 op de schaal van richter. zijn echo plooit zich
als een warme arm om de wereld, als een schokgolf van klank
van Port au Prince naar Port de Deinze en terug. zo eenvoudig
is het dichter te zijn in een stad waar de aarde niet beeft.

Martin Carrette, stadsdichter

anaXis NV